Buiten is het donker.
Jouw schouder leunt tegen die van mij.
We zijn stil.
Onderweg naar het station is veel gezegd.
Het gesprek is te zwaar voor de coupé.
Ik hoor je ademhalen.
Rustig.
Moe.
Je ogen zijn dicht, je hand rust op je bovenbeen.
Op Utrecht Centraal zeggen we elkaar gedag.
Jij moet een stukje naar het noorden, ik een stukje naar het zuiden.
'Pas goed op jezelf' zeg je zachtjes.
Ik knik.
'Jij ook'