Ik loop met de hond over de dijk.
Lachend schop ik tegen de tennisbal.
De lentezon is eindelijk gekomen.
Dapper verwarmt ze mijn blote armen.
Eigenlijk is het nog wat koud, maar ik ren met de hond mee dus het geeft niet.
Ik denk aan hoe het zou zijn als jij hier was.
Aan hoe we zouden praten terwijl ik af en toe een schop tegen de bal zou geven.
Aan hoe je je zou verwonderen over de rust en de landelijkheid.
Aan hoe je zou proberen een pluk haar uit je gezicht te blazen.
Je zou het hier vast fijn vinden.
Ik hoor een plons en stop met dromen.
De hond is in de sloot gesprongen.
Ik haal mijn schouders op en glimlach.
'Dan gaan we zo maar achterom he' zeg ik tegen je.
De hond kijkt me aan en ik besef dat je voorlopig alleen nog in mijn hoofd zit.